Sergei Prokofjev: compositieportret

Sergei Prokofjev was schaakmeester, hartenbreker, voetbalpianist en componist van branie en schoonheid. Maak kennis met de fascinerende hoofdrolspeler van het Rotterdam Philharmonic Gergiev Festival 2016 in dit compositieportret, geschreven door Onno Schoonderwoerd.

‘Zijn spel was zeer doortastend en recht door zee. Doorgaans lanceerde hij een slim opgezette, briljante aanval. Om defensietactieken gaf hij duidelijk niet. […] Was hij niet in de muziek terechtgekomen, dan had hij een mooie carrière als professionele schaker kunnen opbouwen.’

1954. Schaakgrootheid Michail Botvinnik, meervoudig wereldkampioen, looft het spel van de het jaar daarvoor overleden Sergej Prokofjev. Veertig jaar eerder al had de jonge pianist en componist Sergej Sergejevitsj de Cubaan José Raúl Capablanca (kampioen van 1921 tot 1927) verslagen – iets wat weinigen hem nadeden. Ravels koning ging ook onderuit trouwens, toen de twee componisten eens op het bord duelleerden.

Het is gemakkelijker Prokofjev te bewonderen, dan hem lief te hebben. De relatie tussen Sergej, een goed versierder en van jongs af bewust van zijn uitzonderlijke talent, en zijn vrouw Lina Codina, een zangeres met een minder glorieuze loopbaan, is turbulent. Vrienden hebben hen gekoppeld. ‘Hij keek mij over zijn schouder aan en glimlachte naar me, en lachte omdat ik er dwaas uitzag,’ herinnert Lina zich later. ‘Ik begon ook te lachen […], het was te laat om nog weg te rennen. Ik voelde zijn aantrekkingskracht – hij was lang, slank en had blond, enigszins rossig haar.’

Vladimir Doekelski, de componist die in Amerika als Vernon Duke furore zou maken, beschrijft Prokofjev na een ontmoeting in Parijs als ‘een kruising tussen een Scandinavische minister en een voetballer. Zijn lippen waren ongewoon dik en gaven zijn gezicht een merkwaardig ondeugend uiterlijk, bijna als een jongetje dat op het punt staat een verboden en juist daarom zo verlokkelijke kwajongensstreek uit te halen. Zijn mooie vrouw Lina Ivanovna […] zong goed en was een prima vrouw des huizes en moeder […], wat niet verhinderde dat Sergej ieder moment ruzie zocht en haar zelfs bij de geringste provocatie de kamer uit gooide.’

‘Voetbalpianist’


Krachtige emoties en afstandelijkheid waren in Prokofjev verenigd. Hij choqueerde pers en publiek met zijn excentrieke verschijning, zijn hamerende akkoorden en stormachtige octaafparallellen; hij hield zich ver van de melancholicus Rachmaninov of de dromerijen van Skrjabin. ‘Mijn optredens [met de eerste twee pianoconcerten] brachten mij zeker in beeld als een “echte” componist, met een benijdenswaardige positie tegenover de muzikale hoi polloi,’ schreef Prokofjev in het dagboek dat hij ijverig, en met onmiskenbaar besef van een toekomstige publicatie, bijhield. Later zou de befaamde pianist en pedagoog Heinrich Neuhaus zijn pianospel omschrijven:

Energie, vertrouwen, een ontembare wil, een stalen ritmiek, een krachtige toon (soms zelfs zo hard dat die in een kleine kamer ondraaglijk werd), een speciale ‘epische kwaliteit’ die ieder idee van oververfijning of intimiteit vermeed (zoals die er ook in zijn muziek niet is), maar toch ook een bewonderenswaardig vermogen om heuse lyriek over te brengen, dichterlijkheid, droefenis, reflectie, een buitengewone menselijke warmte en gevoel voor de natuur. […] Het gemak (het resultaat van zelfvertrouwen!) waarmee hij de meest adembenemende passages te lijf ging was echt verbazingwekkend; hij scheen echt te ‘spelen’, in de literaire, bijna ‘sportachtige’ betekenis van het woord (geen wonder dat zijn vijanden hem de ‘voetbalpianist’ noemden).’

David Oistrach, Prokofjevs kompaan, roemde de schijnbare eenvoud van zijn musiceren: ‘Geen enkele overbodige beweging, geen enkele overdreven uiting van emotie, geen effectbejag. De componist leek te zeggen: Ik weiger mijn muziek hoe dan ook te verfraaien. Dit is het. Neem het zoals het is.’

Branie en schoonheid


In Prokofjevs Derde pianoconcert (1921) komen branie en schoonheid bijeen. Ondanks een flinke dosis motorische ritmiek heeft dikwijls de lyriek de overhand: niet alleen in het langzame deel, maar ook al in de mijmerende openingsmelodie en in het neventhema van het eerste deel. Halverwege de finale lijkt zelfs Rachmaninov even om de hoek te kijken. De dichter Konstantin Bal'mont, Prokofjevs oudere vriend, vatte de weerbarstigheid van het werk, de mengeling van kinderlijk plezier en barbaarse woestheid samen in een beeldenrijk sonnet (zie kader).

Prokofjevs gevoel voor theater maakt hem ook voor het publiek aantrekkelijk, meent Valery Gergiev. ‘Hij blijft nooit minutenlang hangen bij één onderwerp. Hij was wat we “kort en bondig” kunnen noemen. Ik bedoel: als je iets wilt zeggen, doe het dan alsjeblieft vlot. En hij wist hoe je iets vlot moet zeggen.’ Inderdaad bereikt Prokofjev diepgang in minuten, seconden. Zijn studiegenoot Nikolaj Mjaskovski noemde de reeks van twintig pianominiaturen Visions fugitives (Mimoljotnosti of ‘voorbijvliegertjes’, 1915­–17) met recht een ‘psychische inventaris van [Prokofjevs] meest persoonlijke emoties’.

Roekeloos


Na omzwervingen door Frankrijk en de Verenigde Staten besluit Prokofjev in 1936 zijn carrière in Sovjet-Rusland voort te zetten. Enigszins roekeloos is het wel: hij zet daarmee ook het leven van zijn Spaans-Russische vrouw en hun twee zonen op het spel. Als Lina in 1948 inderdaad op verdenking van spionage wordt gearresteerd, is Prokofjev al bij een tweede vrouw, Mira Mendelssohn, ingetrokken. Pas jaren na Prokofjevs en Stalins gelijktijdige dood keert Lina uit de kampen terug.

Prokofjev speelt het spel mee en kwijt zich van zijn taak als vooraanstaand Sovjetcomponist met patriottische theaterwerken en filmmuziek als Alexander Nevsky (1938) en Ivan de verschrikkelijke (1942–­­45). Desondanks worden hem de duimschroeven almaar verder aangedraaid. ‘De muziekcritici,’ schrijft het Centraal Comité in ’48, ‘bestempelen ieder nieuw werk van Prokofjev, Sjostakovitsj, Mjaskovski of Sjebalin tot “een nieuwe triomf voor de Sovjetmuziek”. […] Maar de muziekkritiek vertolkt niet langer de mening van het Sovjetvolk.’

Tweederangs circus


Tegendraads en eigenzinnig: pianist Alexander Gavrylyuk herkent in Prokofjev zeker geen spreekbuis van het gezag. ‘Vaak bevat zijn muziek een scherp, sarcastisch gevoel voor humor, een zekere spot jegens de Sovjetautoriteiten. Het Vijfde pianoconcert is, vind ik, een goed voorbeeld. Ik hoor daarin een tweederangs circus, dat staat voor de groteske absurditeit van al die lieden die een enthousiaste rol in het systeem speelden.’

Dat alles lijkt uitgedoofd als Prokofjev in 1952 zijn zevende en laatste symfonie schrijft. Weg is het experimenteerplezier uit de pianoconcerten, weg de duisternis van de Zesde. ‘Het leven wordt beter, vrolijker!’ – die Stalinistische mantra lijkt uit iedere porie van het stuk te wasemen. Maar mede gezien de ongebruikelijke toonsoort cis-klein – doorgaans ingezet voor introspectieve composities als Beethovens Veertiende strijkkwartet (óók opus 131) – en het verre van bombastische slot lijkt één conclusie echter gerechtvaardigd: ondanks de druk van de niets ontziende censor probeert Prokofjev, zelfs vanuit een verloren positie, ervan te maken wat ervan te maken valt.